woensdag 4 april 2012

Ondersteboven





Yoga.
Dat zag ik niet aankomen.
Niet dat ik nu op een matje “oooooohm” heb zitten zoemen, maar aangezien het allemaal om balans draait: de kopstand.

Heb ik even opgezocht. Want wat is hier de bedoeling van? Swami Satchidananda – breek daar je tong maar eens over- zei:
“Op je hoofd kunnen staan, betekent veeleer op je voeten léren staan.”
Aha, voilà.
Er wordt aangeraden deze oefening in fases, over enkele dagen verspreid, te doen zodat lichaam en geest kunnen wennen. Nu hebben lichaam en geest toch al de nodige opdonders te verduren gehad de afgelopen tijd, en zijn ze inmiddels gewend zich snel aan te passen. Het leverde dus geen problemen op om dit er in tien minuten doorheen te jassen. Toch was niemand was meer verbaasd dan ik toen ik daadwerkelijk op mijn hoofd stond. Wow.

Het schijnt ook wonderbaarlijke effecten te hebben, en ik citeer:
“In de kopstand is de druk tussen wervels andersom. De wervelkolom zoekt een goed evenwicht. De aders kunnen zich volledig ontdoen van hun onzuiver aderlijk bloed (wat is dat?! D.) en krijgen de tijd om hun elasticiteit te herstellen. Hersenen en aangezicht worden extra doorbloed. De huid van het gezicht wordt weer strak en fris.”

Zo zag het er niet uit, maar dat effect komt waarschijnlijk later nog. Elasticiteit is altijd goed.
Een ander effect wat zich wel eerder aandiende – waarschijnlijk door de extra doorbloeding van de hersenen, dat zal het zijn- was dat ik nu eindelijk eens terug begon te knokken. Toen ik heel moe was.
Heel lang overheerste het gevoel in mijn armen, en was het enige wat ik dacht : Zo.Het is wel klaar nu. Genoeg geoefend. Ik heb dorst. Ik wil m’n flesje drinken.
Niks ervan. Niks flesje en al helemaal niks klaar. Doorgaan met stoten, hup.
Pas toen ik tegen de muur geplakt werd en de druk weer te groot voelde worden hoorde ik ineens een zielig “neeeee” uit m’n keel opborrelen. Was ik dat? Ja, blijkbaar, want daar waar dat eerst niet lukte, was ik nu in staat een zwieper te geven en los te komen. Hoe? Ik heb geen flauw idee.
Kennelijk vielen de stukjes op hun plaats en had ik m’n reservebatterij gevonden. Next thing I knew is Gabriel die met zijn armen een hoerabeweging maakt.
“Proficiat, je hebt zojuist 105 kilo aan de kant gesmeten.”
Vond ik best een doorbraak.
Ik was er compleet ondersteboven van.





Fotografie: Michel Vanderhoven

  
Slideshow: Waselino

  
Voor meer informatie over zelfverdediging op basis van Krav Maga: www.g-safe.eu

maandag 2 april 2012

Pics, part two

Michel Vanderhoven, the floor is yours again….
More actionpics


So check the facebook fanpage:

www.facebook.com/MichelVanderhovenPhotography
MichelVanderhovenPhotography

Slideshow by Waselino, also on Facebook :https://www.facebook.com/waselino

zaterdag 31 maart 2012

Baksteen



Het deksel is van de put.
Het lijkt wel alsof ik, door alles opnieuw onder ogen te zien, sommige ghosts of christmases past opgeroepen heb om nog eens te komen spoken.
Maar dan in levende lijve. Niet fijn.
Want nu komt het moeilijkste stuk; toepassen wat ik de afgelopen tijd geleerd heb.

Ik geloof wel in een wet van aantrekkingskracht- als je wat extra kracht nodig hebt, komen er vanzelf mensen op je pad die je daarbij helpen.  Zoals in Eat, Pray, Love. Maar dan anders.
Ik schrob geen tempelvloeren, als er al een God bestaat heeft ie het verstand gehad om in te zien dat dat een kansloze missie bij mij was geweest. Ik zou óf in slaap gevallen zijn, óf een herstructureringsaanpak op touw hebben gezet om dat gemediteer wat vlotter te laten verlopen. Geduld is een schone zaak, maar niet de mijne. Ik ben meer van de snelle imprint, en later een update’tje hier en daar.
Ik vind geen zin in zinloosheid, maar heb wel een stuk zachtheid hervonden door iets hards te gaan doen. Een stuk vrouwelijkheid terug door iets mannelijks te ondernemen.
Wat zich thuis ook weer terugvertaalt, tot groot genoegen.

Geen monniken dus op mijn dak, wel het iets grovere werk.
Uitgaande van die wet van aantrekkingskracht, er is een gezegde dat luidt: het universum gooit eerst kiezelsteentjes, om je aandacht te trekken. En als je niet wil luisteren krijg je een baksteen op je kop.
Daar geloof ik ook in. Want wat krijg ik?  Een bloody big baksteen.
Gabriel is meer een soort Drentse kei.
Een die letterlijk en figuurlijk zo over me heen gaat dat ik wel moet luisteren, want voor minder doe ik het niet. Dan stoom ik gewoon door.
Een die telkens als ik denk dat ik het helemaal doorheb, laat zien dat ik nog steeds met één vinger naar beneden te duwen ben.
En zo al mijn zwakke plekken blootlegt.
Ik heb de halve tijd geen flauw idee wat nu de bedoeling is. Niet weten wat je te wachten staat is best lastig.
Een lesje in nederigheid. Geen onderworpenheid, dat is iets anders. Wat het wel is: niet laten leiden door mijn ego maar door mijn kern.
Krachtiger worden door zachtheid niet weg te stoppen.
Niet overschreeuwen, maar nadenken. Als de druk en het gewicht op sommige plekken te groot worden, adem. En denk na.
Hou spanning niet vast, laat het los.
Dat hou ik mezelf nu maar voor.
Adem, Daan, ontspan. Denk na, en vertrouw op jezelf.






www.g-safe.eu
Facebook.com; Michel Vanderhoven Photography

dinsdag 27 maart 2012

Sleutel



Na de crash van vorige keer leken mijn hersens  zeker een halve week op macaroni uit een snelkookpan; één grote brij.
Het effect was, net als bij spierpijn, na twee dagen op zijn hevigst.
Toen besloot de macaroni dat ie nu beslist overgaar was, er moest wat kookwater uit de pan. Nadat ik eerst huilbuien kreeg op ongemakkelijke momenten – als je dat overkomt in de supermarkt voor het groenteschap kom je best labiel over-   werd ik  opstandig. Alles was té dichtbij  gekomen, er was in mijn ziel geroerd, verdorie. Dus zocht ik een manier om weer afstand te creëren. Tot mezelf in de eerste plaats,maar de gemakkelijkste weg is natuurlijk langs anderen.
Kortom, ik was niet bepaald een plezier voor mijn omgeving, ik zocht ruzie en wie het wou kon het krijgen ook.

Gelukkig is mijn omgeving wijs genoeg om daar niet op in te gaan, anders was ik in de val van mijn eigen ego getrapt. Pijn is als je persoonlijke doos van Pandora: je kunt het proberen te  overschreeuwen, maar eenmaal geopend is het overal. En vooral  geen ruzie mee zoeken, dat verlies je geheid.  Nadat het me de laatste keer vol in het gezicht sloeg, vond ik het ook welletjes. Een keer was genoeg.

Terugkomend op die vorige keer:
Exit poging om een raam te zoeken. Ik wou zo hard dat het er was dat ik niet zag dat het zinloos is om dingen te zoeken die er niet zijn.
Volg de weg van de logica:  zoek een sleutel, dan kun je deuren openen en sluiten als het jezelf uitkomt.

Zo. Genoeg metaforen. Op naar het echte werk.
Helemaal opgepompt voor nog een slooppartij kom ik er deze keer achter dat het niet altijd een tranendal hoeft te zijn. Het kan ook ontspannen en balans is het sleutelwoord.
Dat komt jammer genoeg niet aanwaaien, het vereist oefening. Meer in mijn hoofd dan met mijn spieren, aangezien ikweer tegen mijn instincten in moet gaan: bij inspanning  niet adem inhouden maar juist uitademen. Enjoy the moment. Op een spanningspiek even vasthouden terwijl je lol probeert te hebben en blaast.

Hoe oefen je dat?
Met een koprol. De hoogte in, halverwege vasthouden, niet doorrollen. Dat ziet er wat kolderiek uit, maar het is het resultaat wat telt tenslotte en zo is het ook gemakkelijker om die lol te hebben.
En met duwen. Bij tegenstand geen verzet, want daarmee put ik mezelf alleen maar uit. Dan ben ik weer ramen aan het zoeken en ik heb al vast kunnen stellen dat dat een gebed zonder einde is.
Nee, meegaan met de beweging terwijl je balans zoekt. Dansen als het ware.
Ook met m’n ogen dicht. Even de zintuigen uit en vertrouwen op gevoel.
Dat klinkt gemakkelijker dan het is, ik val behoorlijk om. Toch begint de gedachte erachter wel te groeien. Don’t play it hard, play it smart.
Deze nieuwe modus werpt frustraties op als ik me weer onder Gabriel uit moet worstelen. Vanuit stresspositie. Ik blaas, ontspan en friemel me een ongeluk om  los te komen maar hij leest nog net niet de krant.
Ik denk, ik denk na als een gek, toch voel ik me als Jamie Lee Curtis in de eerste Halloween – als ze bij het huis van de buren probeert binnen te komen op de vlucht voor Michael Myers-: “The keys!!! The keys!!!”  Ze weet dat ze in haar zak zitten, alleen kan ze ze in haar onrust niet goed vinden.

Die onrust gaat er nog wel uit, en dat zal de ene keer gemakkelijker gaan dan de andere. Ik weet nog niet waar dit naar toe gaat, welke kant ik uitgewerkt word.
Toch, die sleutel, ik heb hem in zicht.


dinsdag 20 maart 2012

Crash


 

      
Misschien moet ik kleine lettertjes gebruiken.
Want als ik dit zou voorlezen, zou ik het fluisterend doen.
Na de tweede training schoot me een verhaal te binnen dat ik lang geleden las.
“De foltering van de hoop”, ( voor de leesgierigen;  La torture par l’espèrance, Torture by hope door  Auguste de Villiers de L’Isle-Adam) over een man, gevangen in een kerker.
Dromend van zijn familie, en van de dingen die hij wil doen als hij weer vrij zal zijn. Wat denk ik iedereen doet die in de bak zit, tot dusver niks bijzonders.
Maar dan ziet hij opeens dat zijn kletsende bewakers de deur niet goed dicht hebben gedaan- die staat op een kiertje. Hij ruikt zijn kans. Wacht tot de bewakers in slaap zijn gevallen, en héél voorzichtig sluipt hij, bevriezend bij elk geluid, richting uitgang. Hij voelt de frisse nachtlucht, en ziet in gedachten al de sterren waar hij zometeen onder zal lopen. Steeds verder, tot hij nét buiten de poort is. En daar wachten andere bewakers hem op. Hup, terug de cel in.
Poging mislukt. Desalniettemin, hij heeft wel geproefd van de vrijheid. Dus als een tijd later weer de deur openblijft, herhaalt het ritueel zich. Weer wordt hij teruggehaald, nu net voor de poort.
Week na week, hetzelfde, steeds iets eerder. Na de zoveelste keer durft hij er niet meer in te geloven, hij geeft het op.
De deur van zijn cel is daarna altijd opengebleven. De muren zaten in zijn eigen hoofd.
Neem mensen hun hoop af en ze bestaan niet meer.
Wat een horror, dacht ik.

Deze keer gaat het, en ik druk me voorzichtig uit, een tandje harder.
Mijn belevenis is er in eerste instantie wel op vooruitgegaan, gelóóf maar dat ik tegenwoordig op mijn ademhaling let.
Dus als  ik moet kruipen met een zandzak, springen met een zandzak, draaien op een bal, lopen op vuisten en voeten en zwaaien met een kettlebell puf ik alsof ik weeën heb, en het werkt ook nog. Geen ademtekort, ha, pak aan. Mij krijg je niet meer gek. Zelfs de frustratie als ik het steeds opnieuw moet doen heb ik ingecalculeerd.
Stoten op een bewegend doel; ik let erop niet al m’n krachten te verspelen.
Ik ben bijna trots op mezelf.
Mijn armen worden wel moe. Spieren beginnen te verzuren.
Maakt niet uit, doorgaan.
Dan, wéér dat pak, wéér die benauwing. Ik moet vechten tegen iemand die nog helemaal fris is, ingepakt zodat ik hem niet kan raken. Ik krijg bokshandschoenen aan om geen grip te kunnen hebben, en touwen aan mijn schouders waaraan ik teruggerukt word als ik aanval.
Ik probeer het, maar wanhoop groeit. Zeker als ik bij elke ruk ook nog een ram in mijn rug krijg.
Ik val aan, het is kansloos. Ik ga ervoor, maar telkens word ik weer op de grond gesmakt.
Ik zou dit moeten kunnen, anders krijg ik het niet voorgeschoteld, toch?
Ik probeer te ademen, en voorbereid te zijn. Toch kan ik niks, bereik ik nog minder.
De houdingen, het constante falen, de druk op mijn borst, het triggert iets. Kracht verdwijnt steeds meer. Het voelt zo machteloos dat ik niet meer focus en mijn grootste tegenstanders niet aan zie komen; de demonen in mijn eigen hoofd.
Als oude bekenden staan ze plotseling onuitgenodigd op de stoep. Ze sleuren me mee langs de landkaart van mijn gedachten, door onverlichte steegjes, putten en afgronden waar ik nooit meer in hoopte te hoeven kijken. Ze zijn te diep. Ik wil er ook niet in kijken, want ik weet niet meer waar ik ben, overal, maar niet hier.
Ik geef op, ik ga neer, ik ga out. I crash and burn.
Dit voelt kut,  heel erg kut.
Het verschil is alleen dat dit in een gecontroleerde omgeving gebeurt – ik hoef het niet alleen te doen. Deze keer heb ik hulp om alles recht in de ogen te kijken.
Ik zit in die kerker, slinger heen en weer tussen hoop en angst. Ik lik mijn wonden, en probeer te hergroeperen. Ik weet totaal niet meer wat gezegd is tijdens het eindeloze praten erna, maar ergens heeft het toch wortel geschoten.
Fuck hoop. Fuck deuren. Ik ga op zoek naar een raam.
Ik gelóóf gewoon dat het er is.








zaterdag 17 maart 2012

Pics




De foto’s bij mijn posts worden gemaakt door Michel Vanderhoven.
Wel even  het extra vermelden waard, dacht ik zo.

Gespecialiseerd in pop/rock fotografie, maar geïnteresseerd in alles wat rock ’n roll is…

Een impressie van de rest van de foto’s, muziek van Jakob Dylan.

Voor info;
https://www.facebook.com/MichelVanderhovenPhotography/info



dinsdag 13 maart 2012

Dreun







Diepgravend zei ik, diepgravend wilde ik te werk gaan.
De grenzen van wat ik kan? Geloof me, ik heb ze gevonden.
Het was pijnlijk, het was confronterend, het was lelijk, maar vooral; nieuw.
En het is het waard. Ik ben er nog lang niet, zoveel is duidelijk, maar de kop is eraf.
Die van mij ook, bijna.

Gabriel mag een grote teddybeer lijken, maar dat lijkt dan ook alleen maar zo. Als ie z’n legerstem opzet is het ineens hele andere koek.
Ik dacht dat de drillsergeant uit Full Metal Jacket veeleisend was, maar godallemachtig,i’ts a purrin’ pussycat compared to this bad-ass motherfucker.

Die grenzen moesten dus opgezocht worden. Wil ik me daaroverheen  kunnen trekken, moet ik ze eerst bereiken. De bereidheid is er, so let’s get this party started.
Bij de warming up begint het; één centimeter te hoog en ik kan aan de push ups. Je denkt dat je iets goed doet, maar nee, het moet beter, het kan beter. Ok. Pittig, maar niet onoverkomelijk.
Vervolgens wordt het tempo steeds opgevoerd, naar buiten, rennen over pallets en autobanden, erop springen, er weer af, door een auto heen, balanceren, stoten.
Hier begint mijn luchtpijp al omhoog te kruipen, maar wordt nog wat verder in de krimp gejaagd met wat duw- en trekwerk.
Probeer maar eens 105 kilo mens van een pallet te duwen als jezelf 56 kilo weegt; alsof je een olifant in een luciferdoosje wil doen.
En weer door. Doorrennen, doorkruipen, doorstoten. Nog steeds heb ik het gevoel het wel aan te kunnen, ik wil dit, en no way in hell dat ik opgeef. Dat wordt ook steeds gevraagd; “ga je opgeven?!” ga je opgeven?!”
Nee. Integendeel. Ik word steeds verbetener. Ik wil winnen.
Waar ik maar kan probeer ik op adem te komen, in twee seconden tussendoor, tijdens een korte uitleg, waar dan ook. Maar de marges waarbinnen ik mezelf kan herpakken worden steeds kleiner gemaakt.
Ik red het niet meer met verstand op nul en blik op oneindig.

De ademruimte wordt steeds krapper.
Er is bijna niks meer over als  ik ingesnoerd word in een stootpak met  hoofdbescherming. Ik hoor mijn adem, ik voel hem, ik adem hem opnieuw in, onder die warme helm.
Rennen, met het pak aan. “Zuurstof”, denk ik. “Alsjeblieft.” Ik visualiseer uithoekjes in m’n lijf waar ik het vandaan pluk.
Maar het kan nog zwaarder.

Tot op dat moment wist ik niet dat ik kon vliegen, maar nu weet ik het wel; I’m officially airborne. Omdat door de helm mijn zicht beperkt wordt, zie ik de klap niet aankomen –  ineens vlieg ik door de lucht en kom een paar meter verderop neer. Hard, en het duizelt, ik zie sterretjes. Verdomme. Beter opletten. Opkrabbelen, doorrennen, nieuwe aanvallen ontwijken, opvangen, mijn balans terugvinden. Meer klappen, meer stoten. Doorgaan.
Dan; het lukt niet meer, de lucht is weg. Ik kan niet meer ademen, mijn longen werken op de een of andere manier niet met me mee. Dat wat ik tot dusver als vanzelfsprekend aannam, is er niet. En paniek slaat toe: ik wil de helm afrukken en naar adem snakken. Ik hyperventileer. Ik voel me gevangen, ik wil eruit, dat is alles wat er nog over is aan gedachten. Iets anders is er niet.
Gabriel schreeuwt dat ik moet blazen, blazen en niet in moet ademen. En dat de helm nog niet af mag. Pas als hij het zegt. Ik haak in op zijn blik, hij moet me erdoorheen slepen.
Het gevoel van onmacht wordt zo groot dat er iets klikt in mijn hoofd.  Dít is mijn grens, mijn angst gevangen te zitten in mezelf. Geen meester meer te zijn van mijn eigen gedachten. Afhankelijk te moeten zijn van iemand anders om me te redden.
Ineens besef ik het: ik ben mezelf aan het bevechten. Niet hem.
Ik ben me aan het verzetten tegen mijn eigen grens. Tranen prikken, het doet pijn. Het voelt als een grens van prikkeldraad, door mij gespannen.
En de enige die daar doorheen kan kruipen, ben ik. Niet vechten, maar geloven.
Moed keert terug. Nee, moed is het woord niet. Een aanname, gebaseerd op uitputting. Er is gewoon geen ruimte meer voor iets anders.

“Dit kan ik”, denk ik.
En ik merk dat ik verder kan lopen.
Mijn tweede eerste stapjes.




Fotografie: Michel Vanderhoven